20 vragen aan Merho

« vorige volgende »

F: Kon je dan zo goed tekenen?

M: Dat was mijn probleem. In de kleuterschoolschool zei de juffrouw reeds dat ik zeer onhandig was. Volgens haar zou ik nooit mooi kunnen schrijven of tekenen. Maar in de vierde klas had ik een leraar die me de liefde voor tekenen bijbracht. Verder heb ik ontzettend veel overgetekend uit andere strips. Al vlug bleek dat ik later striptekenaar wilde worden.

 

F: Welke opleiding heb je gevolgd?

M: Toen ik twaalf was, wilde ik naar de tekenschool. Mijn ouders stonden erop dat ik eerst humaniora volgde, zodat ik een echt diploma op zak zou hebben. Mijn vader hoopte dat tegen die tijd mijn strip-bevlieging voorbij was. Tegen mijn zin heb ik me door de humaniora geworsteld. En toen ik achttien was, moest mijn vader zijn belofte helaas wel nakomen en mocht ik eindelijk naar de tekenschool. Ik heb 4 jaar Sint-Lukas instituut in Brussel gevolgd.

 

F: Hoe ben je dan in het stripvak begonnen?

M: Toen ik in juni 1970 was afgestudeerd, moest ik eerst nog bij het leger. In de tussentijd zocht ik voor enkele maanden een job, liefst als striptekenaar. Zo kwam ik bij Willy Vandersteen terecht. Studio Vandersteen was toen nog heel groot, want buiten Suske en Wiske en de andere Vlaamse series, werd er per week een volledig verhaal van Jerom plus een volledige Bessy getekend voor de Duitse markt. Met die Jerom-verhalen leerde ik de knepen van het vak. Na drie maanden moest ik echter naar het leger. Maar een jaar later ben ik terug gekeerd naar Vandersteen en ik ben er gebleven tot ik begin 1977 startte met Kiekeboe.

 

F: Waarom ging je een eigen strip maken?

M: Het was van jongs af aan mijn bedoeling geweest een eigen stripreeks te maken. Na meer dan vijf jaar bij Vandersteen, dacht ik: "Nu of nooit". Ik kreeg de kans om voor een grote krant (nvdr.: Het laatste Nieuws) een eigen strip te maken. Alle dagen in de krant met iets van jezelf. Daar had ik altijd van gedroomd. Die kans kon ik niet laten schieten. Willy Vandersteen had daar alle begrip voor. Die eigen strip was Kiekeboe.

 

F: Waar komt de naam Kiekeboe, of vanaf vandaag moet ik de Kiekeboes zeggen, vandaan?

M: Mijn oudere broer stond in het onderwijs en speelde in zijn vrije tijd poppenspel. Anders dan ik met mijn klein poppenkastje, speelde hij op allerlei feestjes in heel het Vlaamse land. Oorspronkelijk heette dat poppenspel "Knik en Knok". Daarin speelde een zekere agent Japwater mee. Uit die figuur is Kiekeboe ontstaan. Omdat ik toen al tekende, vroeg mijn broer om hiervoor een kop te ontwerpen. Omdat een poppenkop van op afstand duidelijk zichtbaar moet zijn, kreeg hij een dikke neus, grote ogen en vooral een grote snor. De tegenstander van Kiekeboe in het poppenspel was Balthazar. Toen ik later een eigen stripreeks ging ontwerpen, leek het me wel wat om van die figuur te vertrekken. Enkel met Kiekeboe en Balthazar werken, bood wel wat weinig mogelijkheden voor een strip. Toen heb ik er Charlotte, Fanny en Konstantinopel bij bedacht. Later aangevuld met de buren, Moemoe, Van de Kasseien en vele anderen. Dat was dan weer een probleem voor het poppenspel. Want elke pop vraagt een hand.

« vorige volgende »

Blijf op de hoogte van de nieuwe albums en leuke weetjes van de Kiekeboes.

Klik hier

Dagstrip

Hier kan je de voorpublicatie van het nieuwe de Kiekeboes-album 126 Tienduizend dagen lezen!